klik over bovenstaande foto's om te vergroten.

 

Reizen van Lione en René

 

Een tweede serie losse reisverhalen

 

Bali   In de aap gelogeerd

Apen gaan door voor uiterst schrandere, gewiekste dieren. Je hebt ook minder slimme primaten. In dit verhaal logeren ze in Sarah Indah, een gemoedelijk en kleinschalig guesthouse, gelegen tussen de rijstvelden nabij Ubud op Bali. Het onderkomen ligt enkele honderden meters verwijderd van de ingang van Monkey Forest, het beroemde apenbos van Ubud. Berucht kan ik inmiddels wel zeggen. 

Dit zo lieflijk ogend stukje tropisch bos is een ware wolf in schaapskleren. Het is de enige plek ter wereld, waar ooit een serieuze poging is gedaan om ons te beroven. Buenos Aires in de nachtelijke uren, de sloppenwijken van Quito of Cairo, verlaten parkeerplaatsen in Zuid-Frankrijk, groezelige buurten in Napels of Salvador, we zijn er altijd ongeschonden van af gekomen. Nooit iets gebeurd. Maar in het vredige Apenbos op Bali ging het dan toch bijna mis.

We hadden er vooraf al over gelezen. Monkey forest, een heilig bos in de toeristenstad Ubud, waar zo’n 300 langstaartmakaken rondscharrelen bij de twee tempels die dit bos herbergt. Enthousiaste verhalen over hoe leuk het is om de apen te voeren, hoe vriendelijk ze naar je toe komen en met hun aandoenlijke onweerstaanbare blikken bij je bedelen om iets lekkers. En ze zijn beslist niet schuw en bang voor mensen. Zo leuk.

Leuk? Bedelen? Aandoenlijk? Geharde criminelen zijn het. Van het ergste soort! Inderdaad, wolven in schaapskleren. Gangsters in apenkleren.

We lopen vanuit het centrum terug over de Monkey Forest Road. Op reis doen we iedere dag onze boodschappen. Voor onszelf leggen we graag een voorraadje eten aan, knabbelgoed, wat fris- en sterke drank, koffie, soep, alles wat we ‘thuis’ denken nodig te hebben. We gaan onderweg een grote supermarkt binnen en shoppen er lustig op los. Buiten gekomen staan we met twee volle boodschappentassen. Op een plattegrondje had ik vooraf al gezien, dat de gewone weg volgen naar onze lodge een flinke wandeling betekent. Maar de route kan worden afgesneden: dwars door het Apenbos. Een klein stukje is het maar, en zo kunnen we meteen kennis maken met die leuke makaken.

Lione heeft altijd haar bedenkingen bij de slimme korte doorgangetjes die ik op alle stadsplattegronden van de wereld weet te ontdekken. Het klopt altijd wel, maar alleen op de kaart. In werkelijkheid is er vaak een onneembare barrière die onverwacht opdoemt. Een klein ravijntje, een dikke muur, een spoorwegemplacement, een riviertje zonder brug. En dan gaat het soms hopeloos fout. 

Maar vandaag krijg ik van Lione het voordeel van de twijfel. Deze korte doorsteek wordt door haar volledig omarmd. Want ik heb het woord Apenbos laten vallen. Roep “Apen!” en Lione is als was in je handen.

We gaan het bos binnen. Ik met een boodschappentas in beide handen. Vooraf hebben we onze zonnebrillen afgedaan en diep in onze zakken gestopt. Portemonnee ook goed weggestopt. We zijn er voor gewaarschuwd. Ze zijn supersnel, en ze hebben je kostbaarheden in no time te pakken, waarna het al even vliegensvlug naar de hoogste top van de boom wordt getransporteerd. Er zijn mensen die beweren, nadat ze waren beroofd, apengelach gehoord te hebben vanuit de toppen van het woud…..

Kuierend met onze boodschappentassen gaat het verder door het bos. 

Daar komen de eerste apen al. Ze staan binnen een paar seconden in een gesloten cordon om ons heen. Een grote makaak, waarschijnlijk de commandant van dit bataljon, springt ineens bovenop Lione. Hij klemt zich met zijn armen stevig om haar heen en zit daar als een rugzak tegen Lione aangeplakt, maar dan aan de voorkant. Hij is niet van plan deze verovering zo maar op te geven. Lione begint tegen hem uit te varen, maar veel helpen doet het niet. Het is een deel van het strijdplan, zo blijkt. Lione en ik worden afgeleid door de leider en de rest van de bende kan de aanval inzetten. En ja hoor, een andere aap heeft uit mijn tas al een pak koekjes te pakken, en er volgen er meer die er met hun hele lichaamshouding geen misverstand over laten bestaan: hier met die handel! Dan voel ik in de consternatie een handje in mijn broekzak. Mijn zonnebril, mijn portemonnee, denk ik. Dat laat ik me toch niet gebeuren. En ik herinner mij ineens wat een local eerder op de dag tegen mij had gezegd. “Als je met je boodschappentassen door het bos loopt, en je komt een troep apen tegen, laten vallen die tassen. Onmiddellijk. It’s the only way”. 

En dat gebeurt dan ook. Ik laat de tassen los, en de groep springt massaal op de tassen af. Ook het mannetje dat zich aan Lione had vastgeklemd springt bovenop de buit. Tassen weg gooien, het is de enige manier om Lione te bevrijden van deze vasthoudende concurrent en om verdere escalatie te voorkomen, vind ik. Maar het is zeer tegen de zin van Lione, die het zonde vindt van de boodschappen. Gelijk heeft ze. Maar alles terugpakken is geen optie meer. Vind ik weer. Een vechtpartij met twintig apen, dat wordt een onvrijwillige kennismaking met het Balinese ziekenhuiswezen. Ik loop al door. Maar Lione laat het er niet bij zitten. Omkijkend zie ik nog net dat ze onvervaard de tassen oppakt en rustig verder loopt. Ik zet me schrap voor het pandemonium dat nu ongetwijfeld zal losbarsten. The Revenge of the Apes. Maar er gebeurt niets. Geen woedende apen achter ons aan. 

Lione heeft razendsnel de bananen tussen de boodschappen uit gevist en die ver weg in het  rond gestrooid. Apen en bananen, de verhalen kloppen: ze hebben iets met elkaar. De apen zijn zo in beslag genomen door de zoete vruchten, dat we ongezien weg komen. Een soort banana split in het oerwoud. 

Deze reis kan ik mijn ‘smart short passages’ verder wel vergeten. Dat wordt vele kilometers extra lopen de komende tijd. Geen ‘slimme’  doorsteken meer. Maar we concluderen dat het wel een geslaagde actie is geweest. Of het nog keer zou lukken betwijfel ik . Deze little criminals laten zich geen tweede keer voor aap zetten. 

 

Chili  La ultima esperanza  (De laatste hoop)

De Baai van de Laatste Hoop. Of eigenlijk: Golfo de la Ultima Esperanza. Dat klinkt ook mooier, vind ik. Mysterieuzer. Bij zo’n naam slaan je gedachten op hol. In ieder geval die van mij. 

Laatste hoop? Waarop? Het geeft wat onrust, zo’n naam: de hoop is bijna op, we zijn er doorheen. Van hoop mag eigenlijk nooit een laatste hoeveelheid over blijven. Hoop hoort onbeperkt voorradig te zijn.

Gedachten aan stoere onverzetteljike mannen, uitgeput door een maandenlange zeereis, het verse voedsel allang op. Gestrand met hun schip moeten ze maanden wachten, en ze weten niet of ze ooit weer verder kunnen. De wanhoop wisselt de hoop steeds vaker af. 

De Golfo de la Ultima Esperanza bestaat echt. Hij ligt in het uiterste zuiden van Chili. De Chilenen hebben hun 12e provincie ‘Regio Magellanes y Antarctica Chilena’ gedoopt. Chileens Antarctica, Laatste Hoop. Dat maakt nieuwsgierig. Op de landkaart zie ik een grillig gevormde fjordenkunst met duizenden eilanden die als druppels naar beneden glijden, richting Zuidpool.

Deze ochtend zijn we er, in Puerto Natales. De enige bewoonde plek  in een gebied, dat twee keer zo groot is als Nederland. Het stadje vleit zich lieflijk langs de ruige kust, aan de voet van de bergen. Talloze stroompjes tuimelen hier over de rotsen naar beneden in de oceaan. De Stille Oceaan. 

Ordelijke huisjes in laagbouw. De brede straten lopen volgens een kaarsrecht schaakbordpatroon. Verdwalen is onmogelijk. De stad, omringd door bergen en gletsjers,  is een kleine oase van menselijk leven in een leeg, ruig en mythisch gebied. 

Er zijn van die plekken, waarvan je je afvraagt wat mensen in ’s hemelsnaam beweegt om zich er te vestigen. Dit is zo’n plek. Een godvergeten plek, waar de ijzige westenwind altijd beukt en giert. Waar de wolken in sneltreinvaart tegen het continent opbotsen, hun vochtige inhoud genadeloos loslatend op de kust en de berghellingen er achter. Waar de kleuren grijs, zwart en wit overheersen. Een prachtplek. Maar om te leven?

Het zal de Puerto Natalezen een zorg  zijn. Zij wonen hier, ze proberen er het beste van te maken en het klimaat is nu eenmaal zoals het is. Vandaag, het is hoogzomer, is zo’n zeldzaam mooie dag. Beetje zon en droog. Stevig windje. Dat wel. Een toptemperatuur van maar liefst 14 graden. Een dag waarop naar buiten gaan nu eens geen noodzaak is, maar een genoegen. 

We wandelen langs de Baai van de Laatste Hoop. Mijn eerdere gedachten over deze baai blijken niet ver van de werkelijkheid af te liggen. De naamgever, Juan de Ladrillero, was in 1557 op zoek naar de westelijke ingang van de straat van Magellaan. Hij bivakkeerde hier noodgedwongen wekenlang , voordat hij verder kon. Dit was zijn laatste kans om de doorgang te vinden. En dat lukte hem uiteindelijk. Het hopen was in dit geval niet voor het laatst geweest. 

De vissersboten liggen er werkeloos bij. Schots en scheef  in het water en al aardig aan het aftakelen. Voor de vissers is er weinig hoop meer. Hier heerst de stilte. De flamingo’s contrasteren met hun roze kleur tegen het blauwzwart van de zee. Zwarthalszwanen zwemmen hun rondjes. Aalscholvers hangen om de pier. Dit is het begin van het einde van de wereld. De dolfijnen, zeeleeuwen en pinguïns nemen het vanaf hier over van ons, de mens. 

We huren een chauffeur. Langzaam rijden we door dit wondermooie landschap. Kleurige bloemen in groene weiden, roodbruine koeien, bossen, tegen een decor van de machtig oprijzende bergen. We vragen de chauffeur een eind vooruit te rijden; we willen een stuk  wandelen. 

Als Lione een foto maakt van het landschap, komt ineens, uit het niets, een cowboy op zijn paard met een enorme vaart recht op ons afrijden. Hij schreeuwt, hij is woest. Razend. Zijn drie honden, opgezweept door deze uitval van hun baas, rennen even hard mee. Hij wil ons niet hier. Zoveel begrijpen wij er wel van. Weg, weg, schreeuwt hij. Hebben wij bij toeval iets gezien dat niet voor onze ogen bestemd is? Duistere zaken? Maar wat dan?

Veel mensen komen hier niet en dit is bij uitstek een gebied om ongestoord je gang te kunnen gaan. Dat zijn deze vrijbuiters, deze ‘loners’, hier zo gewend. Van regels en gezagsdragers moet men hier niet veel hebben. Santiago heeft hier weinig te vertellen. Zij redden zichzelf wel. Minder legale zaken en buitenstaanders, dat gaat hier niet samen. 

Onze chauffeur is gelukkig in de buurt. “This not good” zegt hij, duidelijk geschrokken. “Get into car, quick”.  De woedende ruiter met drie woeste grote honden in zijn kielzog komt angstvallig dichtbij. Hij gaat volkomen door het lint en niets lijkt hem te stoppen. El ultimo dia, hier onderaan de aardbol? Is er nog laatste hoop? 

Ik ben op tijd in de auto, maar Lione staat nog buiten. Dan pas zie ik hoe zij ijzig rustig haar camera instelt, en afdrukt. Nog nèt op tijd is zij binnen. El ultimo segundo.

’s Avonds lopen wij door de hoofdstraat op zoek naar een restaurantje. Het is nagenoeg uitgestorven. Een mediterrane cultuur van leven op straat hoef je in een bijna arctisch klimaat niet te verwachten. Waarom zou je onnodig buiten zijn? Er is gelukkig een restaurantje open. Binnen is het lekker warm. 

Tijdens onze maaltijd zwaait de kok nu en dan de deur open en gooit botten en vleesafval naar buiten. Een troep van ongeveer vijftien zwerfhonden stormt er op af, maar de grootste krijgt de buit steeds te pakken. De rest moet keer op keer ervaren dat er maar één winnaar kan zijn. De sterkste. Alleen de sterksten overleven hier.

Op de terugweg blaast de wind door de lege straten en doorbreekt zo de doodse stilte. Geen levend wezen op straat, alleen de troep honden. Ze aarzelen even als ze ons zien, maar ze komen ons niet achterna. Bij ons valt niets te halen. In onze hosteria nestelen we ons bij het behaaglijke vuur. 

Morgen naar Vuurland.  Of eigenlijk: Tierra del Fuego. Dat klinkt toch mooier, vind ik. En mysterieuzer……

Myanmar Opschudding aan de waterkant

We rijden vroeg in de ochtend de chaotische miljoenenstad Mandalay uit. De sfeer verandert van het ene op het andere moment radicaal: we gaan weer een flink stuk terug in de tijd. En vooral: heel veel rust. Landerige dorpen. Krakende en piepende ossenkarren. Vrouwen met manden en bossen hout op het hoofd. Nee heren, niet voor de deur. 

In een klein eenvoudig dorpscafé drinken we iets waarvan we niet weten wat het is, maar dat we tien minuten eerder als koffie hebben besteld. Het is alsof we ons in een scène van een avonturenfilm bevinden, waarin serene rust heerst maar ieder moment iets kan gaan gebeuren. We zijn de enige westerlingen en worden van alle kanten bekeken. Op onze beurt kijken wij onze ogen uit en genieten van deze totaal andere wereld. Mannen in hun wikkelrokken zitten op een laag bankje rond een tafel. Wij zitten aan een andere tafel, ook op lage bankjes. Aan een derde tafel zitten monniken. Zij proberen wat zinnen Engels met ons uit te wisselen maar de conversatie wil niet echt op gang komen. Het geeft niet. Het is hier kijken, en bekeken worden. Kinderen en volwassenen staren ons langdurig aan. Wandelend door het dorp, horen we achter donkere ramen zachte maar hoge kinderstemmetjes: “bye-bye” zeggen ze, maar ze bedoelen:  “hello”. Wij zien ze niet, zij zien ons wel. 

We rijden verder over het platteland, dat hier ook echt plat is. Als we een studentencampus in the middle of nowhere passeren, vertelt onze chauffeur dat ‘ de regering’  - hij bedoelt het militaire regime – de studenten met opzet ver van de grote stad heeft gehuisvest, omdat ze in de stad toch alleen maar voor onrust zouden kunnen zorgen en andere ongewenste plannen zouden kunnen beramen. Naar de stad lopen, enige tientallen kilometers verderop,  is hier geen optie. Zo denkt het regime verdachte sujetten buiten spel te kunnen zetten. Ik denk bij mezelf dat, als je een opstand wilt voorbereiden, je dat ook heel goed op een ver weg gelegen campus kunt doen, maar ja, dit is het regime. Die nemen wel meer gekke en blijkbaar nutteloze, ondoorgrondelijke beslissingen, gevoed door achterdocht en angst.

In Birma werd van oudsher links gereden, daarom zit het stuur bij een aantal auto’s nog altijd rechts. De junta besloot echter in 1970 van de ene op de andere dag het links rijden te veranderen. Het schijnt dat de toenmalige, paranoïde en zeer bijgelovige dictator, generaal Ne Win, door zijn vrouw kreeg ingefluisterd dat het land rechts moest gaan rijden omdat zij had door gekregen dat ‘ het gevaar van links kwam’. De dictator aarzelde geen moment en draaide de boel ingaande de volgende dag om. Het hoeft geen betoog hoeveel chaos er ontstond. In Nederland zouden we over zo’n operatie twintig jaar, dertig werkgroepen en veertig projectplannen doen; hier gebeurt het in de waanzin van de dag meteen. 

We zoeven nog steeds met onze auto met een rechts zittend stuur over ’s lands wegen. De benzinetoevoer geschiedt vanuit flessen en jerrycans, die gevuld met benzine, met slangetjes verbonden zijn met de motor. De jerrycans staan gewoon tussen de stoelen. De chauffeur rookt er op zijn gemak een sigaretje bij.

Even buiten de stad Pakkoku stoppen we bij de rivier. Hier ligt onze privéboot, die ons in enkele uren over de brede rivier naar het ongeveer dertig kilometer zuidelijker gelegen Bagan zal varen. Er heerst een gezapige, landerige sfeer als we het smalle weggetje naar de rivieroever oprijden. Niemand te zien. Wat een heerlijke lome rust. Zodra we met onze bagage en spullen uit de auto stappen, ontstaat  -sneller als een bliksemschicht – een heus oploopje. Ineens een kluwen mensen om ons heen. Waar komen toch altijd al die mensen vandaan? Ga ergens in Afrika wandelen in de natuur, het is rustig, geen mens te zien, je waant je volkomen alleen. Ritsel met een papiertje van een snoepje en er staan twintig, dertig kinderen om je heen. In no time. Hier is het niet anders. Het is duidelijk: toeristen komen hier bijna niet en iedereen wil zijn graantje meepikken uit dit onverwachte maar broodnodige buitenkansje.  Want vreemdelingen betekent in veel arme landen geld en spullen. Van oudsher al toen de missionarissen in Afrika – door veel spullen weg te geven – de zieltjes een voor een binnenboord haalden.

Onze tassen worden naar de boot gesjouwd, wel zeven mensen zijn ermee bezig. Dat wil zeggen: zeven dragers (zelfs twee plastic tassen hebben ieder een aparte drager) en een veelvoud hiervan zwermt er om heen, om straks te laten zien dat ze wel degelijk ‘meegeholpen’ hebben. Zelf worden we onmiddellijk ingesloten door vrouwen en kinderen. Wat een ongelofelijke armoede. Gaten en scheuren in hun kleding. Groezelige en gekweld kijkende gezichtjes. 

We stappen in het gedrang met moeite in onze boot. Een kordate dame stapt mee de boot in. Zij wil een kleedje ruilen tegen kleding, zegt ze resoluut. We hebben inderdaad uit Nederland kinderkleding meegenomen om weg te geven, dat heeft ze goed gegokt. Ze vraagt om kleertjes voor haar dochter. Voor ons vertrek hebben we al pakketjes kleding samengesteld om weg te geven. We hebben niet veel meer over. We hebben nog kleding over voor een kind van twee, een kind van vier en een kind van negen jaar, zo maken wij duidelijk. Nu blijken er meer dames interesse te hebben: sterker nog, zij willen allemaal wel zo’n pakketje. Kinderen van twee, vier en negen jaar, die hebben zij ook, gebaren ze heftig. Zelfs het kleine oude vrouwtje van zeker 75 jaar dat niet van mijn zijde wijkt, met een blouse die meer gaten dan stof vertoont, knikt dat ook zij kinderen heeft die aan deze voorwaarden voldoen. In Birma zijn de wonderen de wereld nog niet uit……

Het wordt een pandemonium. Een chaos van woorden en gebaren. Afgezien van de eerste vrouw hebben de andere dames niets aan te bieden om mee te ruilen. Er wordt geduwd, gegraaid, geschreeuwd en getrokken. Als Lione dan maar besluit om de kleding weg te geven, reageert de eerste dame verontwaardigd. Ze vindt het niet eerlijk, zegt ze. De andere dames krijgen het voor niets en zij moet als enige een kleedje afstaan. De kleine dingen tellen hier.

Uiteindelijk besluiten we om maar gewoon uit te delen. We kunnen er door de ontstane opwinding niet meer om heen, willen we ons vege lijf nog redden. De dames zijn dolgelukkig en glimmen van oor tot oor. De eerste dame rent opgetogen de boot af, omdat zij haar kleedje kan houden maar toch een pakketje heeft weten te bemachtigen. Maar hiermee is de rust bepaald nog niet teruggekeerd. Als we – voor de fooi - vragen wie onze drie tassen heeft gedragen (we rekenen de plastic tasjes met water en dergelijke niet mee), gaan zeker twaalf  handen omhoog. Kom daar maar eens uit. We zijn dan ook blij, dat we even later varen – het voelt als een narrow escape - en er weer rust is. 

De volgende uren genieten we van de stilte op de traag voortkabbelende brede rivier. We doen weer nieuwe energie op om de volgende uitdaging aan te kunnen: Bagan, dat nu in zicht komt. En voor ‘Bagan’ komt een kleine boot met twee vreemdelingen in zicht. Op de kade worden slapende koetsiers en taxichauffeurs wakker. Onder de schaduwrijke bomen luierende mannen en vrouwen staan op. Iedereen neemt snel zijn of haar positie in.

Wij ook. We zijn er helemaal klaar voor.

Venezuela  Een leuke verrassing

In het bergachtige noorden van Venezuela zijn eergisteren twee Nederlandse toeristen, een vader (43) en zijn dochtertje van acht jaar oud, omgekomen. Zij werden meegesleurd door een ijskoud woest stromend riviertje in de deelstaat Monagas en werden een dag later twee kilometer verderop gevonden. De week daarvoor was op dezelfde plek al een Zwitserse toeriste omgekomen. De autoriteiten in de Noord Venezolaanse staat spreken over ‘toeval’. 

Bovenstaand bericht heeft nooit in de Nederlandse kranten gestaan, want ik heb het zojuist verzonnen. En om deze reden heb ik het hier ook kunnen opschrijven. Nee, spotten met het leven en de dood zal ik nooit doen, integendeel. Als het echt was gebeurd, was deze blog nooit geschreven en was mijn dochter, toen acht, nu niet de energieke leuke jonge vrouw van 27. Maar het had gekund. Die drie seconden hadden maar even anders moeten lopen.

Drie dagen rondtoeren door het noorden van Venezuela. De boottocht vanaf het Caribische eiland Isla Margarita naar de kust van Venezuela was een hachelijk gebeuren geweest. Twee uur in het donker van de nanacht varen in een open schuitje, vervaarlijk schommelend op de hoge golven, met een stuurman die de rum ruimhartig naar binnen goot, als voorbereiding op het ontbijt. Verder was alles goed verlopen: de landing in de haven, mijn ontmoeting met een anaconda in het veld toen ik wat water wilde afgieten, mijn zoon die van het paard afviel en in de modder terecht kwam. Maar ook de Warao-indianen in de Orinocodelta. Dochterlief van acht die in de kajak van een oude indiaan een stukje de Orinoco op mocht. Orinoco flows. Wat straalde ze, want welk kind van acht kan thuis nu zo’n verhaal vertellen: met een indiaan in een kano een gevaarlijke tropische rivier op! Het was een reisje zoals het hoorde te zijn: never a dull moment, genoeg te beleven. 

We kwamen terecht in het mooie bergachtige noorden van Venezuela, in de buurt van Caripe. Daar bevindt zich een grot, vol met vetvogels. Honderdduizenden, misschien wel miljoenen vogels huizen daar. Tegen zonsondergang vliegen ze allemaal tegelijk de grot uit, wat een wonderlijk gezicht is, en wat dan ook vele toeristen trekt. In afwachting van dit grote gebeuren ging er gewandeld worden. Op een brug keek ik naar een woeste koude kolkende bergrivier die zijn weg naar beneden baande. We liepen een stuk langs het watergeweld. En toen kwam het. We gingen het riviertje oversteken. OVERSTEKEN! ‘Don’t worry” zei de gids, ‘ het is niet diep’. Dat klopte, het water kwam tot mijn middel en vervolgens tot mijn borst. Ik droeg mijn dochter eerst op mijn armen en later zette ik haar op mijn schouders. Voorzichtig voelen over de bodem, van steen naar steen. Het ging goed. We bereikten de overkant. Daar liep het pad een stukje verder, maar weer moesten we de rivier in, terug naar de andere kant. En even later weer oversteken. Mijn zoon werd door een local aan de hand genomen en ging later op zijn rug. 

Ik ploeterde met dochterlief boven mij door de woest kolkende massa. Het was ijskoud en ik hoorde achter mij mompelen dat er toch wel erg veel regen was gevallen de laatste dagen. Het waterpeil was opvallend hoog. Dat merkte ik ook, want af en toe ging ik tot mijn schouder onder. ‘Op de stenen stappen, rustig lopen’. Ik dacht dat je er eigenlijk toch wel veel voor over moest hebben om ergens te komen waar het mooi, bijzonder of interessant was. Tenminste dat laatste hoopte ik. Op dat moment gebeurde het. Ik gleed uit, van de steen af. Meteen ging ik kopje onder ,maar ik probeerde mijn dochter zo hoog mogelijk boven me te houden. Gestrekte armen, 35 kilo de lucht in. Steen, steen, dacht ik. Waar is die steen. Er was geen steen. Ik voelde hoe mijn dochter na lange seconden van mij afgetrokken werd, ik was lichter en kwam weer boven. Zwemmen was mijn eerste reactie. Ik zag mijn dochter op de rug van een locale man. En toen vond ik ook weer bodem. Ik ving flarden van een gesprek op: 

‘Vorige week… Zwitserse vrouw… hier uitgegleden…meegesleurd. Kilometer verder op gevonden. Konden niet veel voor haar meer doen.’ Daar schrok ik wel van, want zo gevaarlijk had ik het aanvankelijk niet ingeschat. We klommen op de kant en daar was helemaal niets te zien. ‘Zo zijn we er weer allemaal?’ zei de gids? ‘ Dan gaan we zo meteen terug’. O nee, dacht ik, niet weer, zeven keer oversteken, wat een ellende. Nu was het niet leuk meer. We liepen een pad op, dat vreemd genoeg omhoog ging. Diep beneden ons kolkte de woeste bergrivier. Na een tijdje stonden we ineens bij een brug. Een brug, onze brug. Ik zag onze bus. Dit pad had dus gewoon al die tijd naast (boven) het riviertje gelopen. Daarover kon je gewoon rustig wandelen. De crossings door het ijskoude gevaarlijke water waren helemaal niet nodig geweest! ‘ Leuke verrassing geweest he?’ zei de gids tegen mijn zoon. Bijna verzopen, en dat voor helemaal niets.

Soms doe je op reis dingen waar je thuis niet eens over zou nadenken. Logisch, je wilt iets zien of beleven, en soms neem je de smalle bergrichels langs diepe kloven maar voor lief. Of je stapt bij een local in de boot, terwijl je ziet dat de boot water maakt. Maar ja, langs de kloof is de enige weg, je hebt geen benul van slecht weer dat op komst zou kunnen zijn. Het bootje is het enige bootje. En we stappen gewoon maar in. Of we lopen klakkeloos een gids achterna, het water in. In de vetvogelgrot is niets gebeurd en ook het vliegtuigje terug met gaten in de vloer en rook overal om ons heen heeft ons veilig naar ons eiland terug gevlogen, dwars door een joekel van een onweersbui heen. Venezuela, je moet het eerst overleven, maar dan heb je ook wat (gehad)….

THE GAMBIA     Every night I wake up crying because you’re not here…..

Het was bedoeld als een ongecompliceerde strandvakantie en dat werd het ook. De keuze was op Gambia gevallen. Net weer iets anders dan Spanje of Griekenland, een beetje exotisch en het was Afrika! In Gambia had zich toentertijd een bescheiden toeristenindustrie ontwikkeld, waar voornamelijk de Engelsen aangevoerd werden. Toen deze niet meer welkom waren, de Britse regering had iets lelijks over de dictator van Gambia gezegd en vervolgens een negatief reisadvies voor haar onderdanen afgegeven, landden de Nederlanders, een paar honderd per week. Niet veel, maar de toeristenindustrie zakte net niet helemaal in. 

Gambia is bijna het allerarmste land ter wereld. Je hoeft niet op de economische ranglijst van de VN te kijken, om te weten dat dit land ergens onderaan op die lijst bungelt. Mannen zitten en hangen op straat, doelloos voor zich uit starend, totdat de toerist het waagt om het hotelterrein te verlaten. Ze worden van alle kanten besprongen. “Waar ga je heen, naar de supermarkt? Wij lopen (tegen betaling) met je mee”. Wij werden voortdurend geconfronteerd met het gebedel om geld al dan niet met een zeer minimale tegenprestatie. De opgeschoten jongelui buiten. De nachtwaker, die geld wilde hebben van ons of een fototoestel, dat mocht ook, anders kon hij niet garanderen dat hij ongewenste insluipers zou opmerken. Kinderen, die briefjes met hun adres tegen de ramen van ons busje drukten, in de hoop dat wij het adres zouden onthouden en geld zouden sturen. Wanhopig bijna. Het is enigszins te begrijpen.

Onze kinderen vertelden na een dag of twee dat ze zo leuk konden spelen met Zeekoe. Omdat ik wist dat zeekoeien hier niet voorkwamen concludeerde ik dat het een Gambiaan moest zijn. Seku, want zo heette hij, werkte als tuinman in ons hotel. Hij stond op zijn hark geleund te staren, af en toe raapte hij een afgevallen bloemetje op, om vervolgens zijn “aan deze dag komt nooit een einde”-blik weer op te zetten. Hij was eens een paar dagen ziek. Toen hij weer terug was, vertelde hij achteloos dat hij malaria had gehad. Vol ongeloof hoorden we dit aan, malaria, dan was je wel even uitgeschakeld. Het bleek waar. Maar ja, hier niet werken betekende ook geen loon. No work, no pay. Dus trillend op zijn benen nam hij maar weer positie in bij zijn hark. 

Seku nodigde ons uit. Zijn grootmoeder was overleden, dat werd een mooie ceremonie en een mooie gelegenheid voor ons om dit mee te beleven. Van andere gasten die hier al jaren kwamen hoorden wij dat hij al zeker 6 overleden grootmoeders had. Het was gewoon een manier om met hem mee te gaan, in de hoop dat wij wat geld zouden achterlaten. Op een dag werden we uitgenodigd voor een bezoek aan hem thuis. Wij besloten de uitnodiging aan te nemen. 

Op de dag van het bezoek namen wij een taxi naar Serrekunda, die ons vlakbij het opgegeven adres afzette. Het was regentijd, bij bakken viel het dagelijks naar beneden. Wij waadden door een laag van zeker 30 cm water en modder naar het huisje, waar wij verwacht werden. De hele straat liep uit omdat blank bezoek hier wel iets heel bijzonders was. Seku blonk van trots. Zijn aanzien in de buurt was enorm gestegen. In een hutje met aan weerszijden van de muren twee “banken” van opeengestapelde kussens, zaten wij daar. Het was donker en het rook niet echt fris. Hij had speciaal voor ons koffie gekocht. We wisselden wat zinnen uit, maar de gespreksstof was snel op.  Voor onze kinderen die zich verveelden (buiten spelen kon niet vanwege het water) duurden de twee uren erg lang. Maar ja, een bezoek is een bezoek en dan kun je niet na vijf minuten al weer vertrekken.

Seku vond ons bezoek een groot succes en hij putte hier duidelijk moed uit. Op een namiddag kwamen we bij onze lodge en zagen buiten een zak met vers geplukt fruit liggen. Er zat een briefje bij. Ik keek in één oogopslag naar de ondertekening en zag de naam van Seku. Die zag ik vanuit mijn ooghoek al komen aanlopen. “Ja, lees maar”, schenen zijn ogen te zeggen. “Dit is een briljant plan”.

Seku schreef dat wij een taxi voor hem moesten kopen.  Hij kon dan een taxibedrijf beginnen, want het tuinieren leverde niet genoeg op. Hij zou dan toeristen rondrijden en ieder jaar, als wij naar Gambia kwamen (!!!) zou hij volledige verantwoording geven van zijn verdiensten. Dan wisten wij in ieder geval hoeveel hij verdiend had. Uiteraard zouden wij dan de reparaties betalen, die hij had voorgeschoten. De klapper bewaarde Seku voor het laatst: wij zouden dan ieder jaar twee weken lang tegen sterk gereduceerd tarief door hem overal naar toegereden worden. Briljant, zeker, maar dan wel voor Seku!! Wij hebben erg veel moeite gedaan om Seku ervan te overtuigen dat dit geen goed plan was, althans niet voor ons. Maar hij bleef tot de laatste dag hopen.

Thuisgekomen ontvingen wij na 14 dagen zijn eerste brief. Hij had er zijn best op gedaan. Wij waren zijn weldoeners en hij hoopte snel op het geld voor de taxi. Hij eindigde met de fraaie volzin: “Every night I wake up crying because you’re not here anymore”. Er volgden nog wat brieven, zijn hart huilde, hij dacht aan ons en wanneer hadden wij het geld bij elkaar? De brieven bleven onbeantwoord en zijn na verloop van tijd gestopt. Als ik aan Gambia denk, denk ik nog wel eens aan Seku. Zou hij zijn eigen taxibedrijf inmiddels hebben?  Wie weet. Echte weldoeners bestaan. Alleen betwijfel ik of die naar Gambia gaan……

MYANMAR   HET KERSTDINER 

Op de dag voor Kerstmis komen we tegen de middag met de boot aan in Mrauk U. Niet dat we ook maar enig besef hebben dat het morgen Kerstmis is. In dit land hebben ze wel andere zaken aan hun hoofd. Het leven van alledag gaat hier gewoon door. En dat betekent bedrijvigheid in het haventje, drukte op straat. Iedereen is wel ergens mee bezig. Met de fietstaxi, paard en wagen of in een gewone kar, of te voet: alles lijkt zich door het smalle straatjes van het haventje naar het centrum (een klein marktje) te bewegen en weer terug. Hertenbiefstukken, kerstbrood met roomboter, bomen met lichtjes, wijn, kaarsjes, damasten tafellakens, kristallen glazen, gourmetten: ze zouden het hier niet eens kunnen bedenken. En wij ook niet. Reizigers hebben niet zo veel met data en horloges. Kerstmis is voor ons ver weg. 

Als we de incheckformaliteiten in onze lodge hebben gehad, lopen we met onze bagage naar ons huisje. “O ja, one more thing”, roept de vriendelijke eigenaar ons na. “Tomorrow Christmas.” Het was ons ook al opgevallen toen we hotelvoucher tevoorschijn hadden gehaald: “date of arrival: december 24”. 

“Yes”, zeggen we, niet goed wetend wat we met zijn mededeling aan moeten. Hij wijst naar de vier tafeltjes die bij de receptie staan opgesteld. Ik had al gezien dat hier eenvoudige maaltijden gebruikt konden worden. Een standaard menu: rijst met wat kip of rundvlees, kosten: 4 of 5 dollar per maaltijd. 

“We hebben een zeer speciaal kerstmenu”, vervolgt hij. Hij wil weten of we dit Christmas dinner willen. We aarzelen en willen weten wat ons morgenavond dan voorgeschoteld gaat worden. Hij lijkt het niet te begrijpen en wijst op de menukaarten. Maar daar staan alleen de standaard gerechten ‘rijst met’ op, in een aantal variaties. Geen special Christmas dinner. We informeren nogmaals naar de specialiteiten. “Twenty five dollars”, zegt hij dan. 

Vier maal de prijs van een normaal menu, dat moet wel heel iets bijzonders worden. Maar wat staat er nu op het menu morgen? Uiteindelijk komt de monkey uit de sleeve. Hij laat een keurig handgeschreven kerstmenu zien. We zien dezelfde gerechten als op de gedrukte normale menukaart. 

1. Soup 

2. Choice from: rice with chicken or rice with meat. 

3. Dessert. 

“Maar”, zo voegt hij er dan glunderend aan toe, alsof hij bekend gaat maken dat het winnende nummer van de loterij uitgerekend op ons lot is gevallen, “we have wine!” 

Hij zegt het triomfantelijk en het zal ongetwijfeld heel bijzonder zijn dat hij een fles wijn heeft weten te bemachtigen. “We serveren er een glas rode wijn bij!”, verduidelijkt hij, met onverminderd enthousiasme. De voorwaarde is wel dat we dan twee dagen een kerstdiner afnemen. Dan komt er wijn bij. Bij één kerstdiner niet. Even twijfelen we. Twintig dollar voor een glas rode wijn. En dat viermaal.  Leuk aangeboden, nee, toch maar niet. 

De volgende dag doen we waarvoor we naar Mrauk U zijn gekomen. Deze stad was ooit de bloeiende hoofdstad van het koninkrijk Arakan. In de 17e eeuw telde zij 160.000 inwoners en er werd gehandeld met de Portugezen en Nederlanders, die er zelfs speciale wijken hadden. Niets doet vandaag de dag meer denken aan die glorieuze tijden. Mrauk U is nu niet meer dan een gewone kleine Birmese stad, maar wat resteert zijn de enorme aantallen tempels en stupa’s uit lang vervlogen tijden, die overal in en om de stad op de heuvels liggen. Als tastbaar overblijfsel van gouden tijden. We bezoeken deze bezienswaardigheden en zijn allang weer vergeten dat het vandaag 25 december is. 

’s Avonds gaan we in de stad op zoek naar een restaurant. Dat valt hier nog niet mee, maar uiteindelijk vinden we er één: Mo Cherry. We zitten op het balkonnetje op de eerste verdieping en hebben een mooi zicht op de straat, die – met het invallen van de duisternis – steeds minder druk wordt. Iedereen spoedt zich naar huis en als het even later donker is, is het doodstil op straat. 

Na het eten gaan we terug naar onze lodge. De straten zijn volkomen verlaten en compleet duister. In het begin kunnen we op de zwakke schijnsels van de olielampen in de huizen nog enigszins zien waar we lopen. Maar als we linksaf slaan, de lange rechte weg naar ons hotel, bevinden we ons in het volkomen zwarte niets. Na zonsondergang gaat geen Birmees de straat meer op, zij zitten binnen in hun schaars verlichte huizen. Straatlantaarns bestaan hier niet. En dus vertrouwen wij op onze zaklamp. In het zwakke schijnsel voor ons lopen we voorzichtig het volkomen zwarte gat in. 

We hopen nog een winkeltje tegen te komen, want we willen nog wat drank kopen voor vanavond. Als we een luik van een huis zien opengaan, zien we in een flits koopwaar uitgestald. Het luik gaat meteen weer dicht en op de tast lopen we naar de plek waar we het huis van zoëven dachten te zien. Ik klop op goed geluk in het donker en mijn hand raakt inderdaad een gevel. 

Het luik gaat open en wij informeren naar drank, waarbij we ‘drank’ zo goed mogelijk proberen uit te beelden met gebaren. Men kijkt niet vreemd op van die twee kloppende vreemdelingen in het duister en onze vraag wordt begrepen, maar nee, drank, dat hebben zij niet. 

We gaan verder op weg naar onze herberg. Om ons heen plotseling overal geblaf. De vele zwerfhonden hier zijn blijkbaar niet gewend aan sluipende wezens in het donker. ’s Nachts is de straat hun domein en zijn zij de baas. We weten even niet van welke kant we het gevaar moeten verwachten, misschien wel van alle kanten. Maar er gebeurt tot onze opluchting verder niets. 

We scharrelen verder. We weten dat de weg zich hier ergens moet versmallen tot een brug zonder randen of leuningen. Op dat moment komt een colonne legerwagens ons tegemoet. Het Birmese leger. Je wilt ze eigenlijk niet tegenkomen, ’s avonds laat op een volkomen duistere weg ergens in het grensgebied van Birma en Bangla Desh. Ze merken ons gelukkig wel op, die duistere wandelaars, en minder even vaart. Je zou verwachten dat zij stoppen en vragen gaan stellen aan die schuifelende vreemdelingen in de nacht op deze Kerstavond. Maar nee, ze rijden langzaam door. We maken dankbaar gebruik van het licht van hun koplampen als we de brug betreden. Een tijdje later ontwaren we flauw licht aan de zijkant van de weg. We lopen het pad op dat naar ons onderkomen leidt. Onze herberg is gevonden. 

Als we onze lodge binnenkomen, zit de eigenaar stilletjes aan een tafeltje voor zich uit te staren. De vier gedekte tafels zijn niet gebruikt. Borden, glazen, bestek, het kaarsje, het staat er allemaal nog onaangetast. Dan herinneren wij ons het kerstdiner weer. Heel even krijgen wij alsnog wroeging. Maar de eigenaar lacht ons vriendelijk toe. We lachen bevrijd terug. “ Merry Christmas”, zegt hij. 

“Merry Christmas”, zeggen wij. 

Die fles wijn, die komt wel op, denken wij opgelucht. Of anders is hij voor volgend jaar: nieuwe Kerstmis, nieuwe kansen.…

In het donker zitten we nog even buiten op onze veranda, in de doodstille tropische nacht. Geen drank, geen eten, geen lichtjes. Maar wel een gevoel van immense tevredenheid, dat we hier, in deze uithoek, nu mogen zijn. Ver weg van de woelige wereld, waar nu overal Kerst gevierd wordt. Het gevoel van vrede, van innerlijke rust, van ‘ alles in balans’ neemt bezit van ons. Het is goed zo. Zo zou het altijd moeten zijn. 

MEXICO   Holland? Where’s thaaaaat?

De Mexicaanse westkust is voor de Amerikanen, wat de Spaanse oostkust is voor veel Nederlanders. Voor een ‘spring break’ in februari, want ook in het overgrote deel van de States is het ’s winters ijs- en ijskoud, vliegen ze in korte tijd naar het zuiden voor de broodnodige dosis warmte. Het zou mij als ‘wereldreiziger’ niet sieren als ik hier negatieve (voor)oordelen over Amerikanen zou gaan ventileren. Maar dat in ieder geval de vakantievierende Amerikanen in Mexico (en Canadezen, laten we die niet uitvlakken) bijzonder luidruchtig, erg prominent aanwezig en niet bepaald cultuur- en natuurminnend zijn, dat durf ik dan wel weer te beweren. 

Hun uitstapjes beperken zich doorgaans tot enkele - meestal wankele - stappen naar de dichtstbijzijnde bar. Een mooi historisch dorpje of een natuurpark bezoeken vinden ze toch echt zonde van hun duur betaalde vakantietijd. Of er moet een giga hamburgertent bij zitten. (Echt, ik heb me al zo vaak verbaasd over hoeveel vlees er in die monden naar binnen kan…). Maar goed, ieder zijn vakantieplezier natuurlijk. 

Wij hebben een boottochtje geboekt naar het nationale park Las Marietas. Wij zijn de enige ‘buitenlanders’ tussen de Amerikanen. Dus toch natuurliefhebbers? Ik heb het heel even gedacht. Maar het blijkt louter te gaan om het zitten op de boot, en vooral om de bar die op de boot aanwezig is. Zodra de boot de marina is uitgevaren, slaagt een Mexicaanse entertainer er in om een microfoon te bemachtigen, die hij vervolgens niet meer los laat. Amerikanen moeten vermaakt worden. In alle rust gewoon genieten van de omgeving is voor hen ondenkbaar, herrie moet er zijn. Veel herrie. 

Onze entertainer huppelt, danst, springt, zet gekke petjes en pruiken op, en schreeuwt: “Oe, oe, oe!” en “Olé olé olé.” Tijdens een korte pauze vertelt Lione hem dat wij daar in Holland een goede behandeling voor hebben. “Er zijn medicijnen voor”, lacht ze, maar Hollandse humor wordt in deze omgeving niet begrepen. 

Na een uur komen de eilanden in zicht. Het publiek stapt in kleine bootjes over om naar één van de eilanden te varen. Aangekomen op het eiland proberen we ons zo snel mogelijk naar het meest verwijderde strand te begeven, maar helemaal alleen op de wereld ben je zelfs hier niet. Desondanks genieten we van deze prachtplek. Het doet ons zelfs een klein beetje aan de Galapagoseilanden denken. Zowel qua landschap als qua dieren. 

Las Marietas zijn grillige rotsachtige eilandjes met mooie kleine stukjes zandstrand. Wandelend over het eiland genieten we van de rotsen, de ruig opspattende zee, de warme wind en de vele vogels bij de rotsen. Pelikanen maken hun duikvluchten, blauwvoet Jan-van-Genten zitten ontspannen op de richels van de rotsen, Sally Lightfootkrabben laten zich bewonderen. Er leven hier zo’n negentig vogelsoorten en in de zee zwemmen mantarays, zeeschildpadden, tropische vissen en dolfijnen. Erg tevreden over ons bezoek aan deze aangename en fraaie plek aanvaarden we de terugtocht naar het vasteland.

Twee jonge Amerikaanse meisjes vragen ons of we van de trip genieten. “You bet your ass”, antwoorden wij, helemaal in stijl. Dan wil de blonde van het stel (type: Britney Spears in haar puberjaren) weten waar wij vandaan komen. 

“Holland” zeggen wij , want met The Netherlands moet je nergens aan komen. Dat werkt niet. Holland, dus. Heel even is het stil. 

En dan zegt ze zonder een spier van haar gezicht te bewegen: “Holland? Where’s thààààt?” 

En weer is het stil, maar nu van onze kant. Holland in Michigan, wil ik zeggen, want topografie is één van mijn sterke kanten. Maar ik wil nu niet de wijsneus of de grapjas uithangen. 

Ik ben flabbergasted. “Holland, Germany, France, England”, probeer ik aarzelend. Maar er gaat Britney geen licht op. 

“Europe”, zeg ik dan. 

“Ah, Europe”, maar erg zeker van haar zaak lijkt ze niet. Britney is zo’n type dat Europe op een wereldkaart op de plek van Midden-Afrika aanwijst. 

“Wij Amerikanen weten niet zo veel”, verontschuldigt zij zich dan. Ik ga nu misschien voor de lezer in enkele minuten een illusie aan diggelen helpen, die bij mij op dat moment in een paar seconden al aan gruzelementen lag. De illusie dat Nederland meetelt op het wereldtoneel.

WIJ DOEN ER NIET TOE. WIJ STELLEN NIETS VOOR. Helemaal niets. En we liggen nergens. Nederland een economische macht van belang, een land waar iedereen naar luistert? Een lidstaat van de VN om rekening mee te houden? En bij toeval, waarschijnlijk door een administratieve vergissing, geen permanent lid van de Veiligheidsraad? Een brandende wereldkwestie, van belang voor de internationale rechtsorde en wereldvrede, dus Nederland consulteren? 

Forget it. Onze politieke partijen kunnen ophouden met zich in ons parlement druk te maken over het Nederlandse standpunt over mensenrechten in China, laat staan dierenrechten in China (dat is namelijk heel gemakkelijk: die rechten bestaan niet) en over de vraag, wie van ons de wereld die belangrijke boodschap uit Nederland gaat brengen. Geen vingertje hoeft meer opgestoken te worden naar de wereld. Meneer Erdogan, meneer Trump, we hoeven er ons niet meer druk over te maken. We kunnen ons eindelijk wijden aan de echte problemen, onze eigen problemen. Het kleine jongetje kan weer terug kruipen in zijn speelhoek. 

De meesten kennen ons namelijk helemaal niet. Nooit van gehoord. Holland? Wat voor land, zegt u? 

Hè hè, dat lucht op. We kunnen heerlijk anoniem de wereld over. Europe, dat lijkt me het beste antwoord. Maar dan moeten we er als Europa natuurlijk wel bij blijven, anders gaat het gegarandeerd dezelfde kant op. 

Even later vraagt een andere Amerikaan mij waar ik vandaan kom. Hij stelt zich netjes voor en zegt dat hij uit Michigan komt. Ik antwoord: Europe. Ik leer snel. Maar hij wil het ‘more specific’. Holland zeg ik dan toch maar. 

“Ah, Holland. Arnhem, Didam, Doesburg, Zevenaar”, zegt hij en hij spreekt die woorden foutloos uit. Geen ‘dasburk’, maar keurig: Doesburg. Een Amerikaan die Nederland kent? Het verbaast me. Hij is er geweest, zegt hij dan, in Holland. Verschillende keren zelfs. 

GEWEEST? 

Dat is nou jammer. Moet ik dit verhaal weer gaan herschrijven.

INDIA   Whatever happens, get on that train!!

We staan op het perron van het grote spoorwegstation van Margao. Over 10 minuten moet de sneltrein uit Mumbai arriveren. We zijn enkele dagen daarvoor in Goa aangekomen. Lekker op het strand was het idee, even niets, gewoon genieten. Maar na een dag of twee, het was te voorspellen, begon het toch weer te kriebelen. Buurstaat Karnataka, dat leek ons wel wat om te verkennen. Als je maar zegt waar je heen wilt of wat je wilt, is het in India niet moeilijk iemand te vinden, die dat voor je kan en zal regelen. Een gids/chauffeur was snel gevonden. 

Hij leek ons betrouwbaar en zo staan we hier in de vroege ochtend te wachten op de trein naar Udupi, zes uur sporen verderop, in de staat Karnataka. Ik kijk eens rond. Wat een immens spoorwegstation, terwijl hier maar een spoorlijn loopt, die van het noorden naar het zuiden, van Mumbai naar Kerala. Veel treinen stoppen hier niet. Het perron is volkomen leeg. Geen mens te bekennen. Complete rust.

“Whatever happens…..GET on that train” zegt onze gids ineens. Niet begrijpend proberen we de betekenis van deze woorden tot ons te nemen. GET on that train? Daarvoor staan we hier toch? Lang tijd om deze voor ons cryptische uitspraak te doorgronden hebben we niet. Daar komt de sneltrein al aan en piepend en knarsend komt het gevaarte tot stilstand. Wat er de volgende twee, drie minuten gebeurt is nauwelijks te beschrijven. 

Je ziet in films wel eens een tornado op een eenzame boerderij in de prairie afkomen. De bewoners denken nog: rennen naar de schuilkelder, maar voordat er een stap is gezet komt alles en iedereen in een spiraal van alles wat ronddraait. Stof, zwart, vliegende voorwerpen, een centrifuge waar niets meer te onderscheiden valt en alles steeds sneller lijkt te gaan draaien. Daar lijkt het nog het meeste op. Armen, benen, knieën, vuisten, schelden, schreeuwen. We worden overal geraakt en platgewalst. Kinderen worden over ons hoofd heen de trein ingegooid, pakketten worden tegen ons aangesmeten, het lijkt wel of de hele stad op het perron staat en tegelijk de trein in wil. En dan hebben we het nog niet over wat er allemaal uit wil. Ik krijg trappen, stompen, duwen, porren. En hoewel ik vreedzaam ben aangelegd snap ik al gauw dat de enige kans om dit te overleven is om gewoon terug te meppen. Heerlijk anoniem gelegitimeerd meppen. 

Met de stroom mee worden we, ondanks de sterke tegenstroom, toch langzaam de trein ingedrukt. Het lukt ons met veel moeite, en met een ongekend hoog adrenalinepeil in ons, om onze gereserveerde zitplaatsen te bereiken. Die zijn natuurlijk bezet. Dit zelf regelen heeft geen zin. Het enige dat in India telt is gezag en dat heeft vaak een snor. Zo ook onze conducteur, die dit inderdaad snel en adequaat regelt. We zitten! Nog geen minuut later zit iedereen rustig en relaxed op zijn plek. Er zijn zelfs nog plekken over. Waarom die kleine oorlog van zojuist, denk ik. Iedereen heeft een heerlijke plek! Ik loop de trein door om te zien of in de andere wagons misschien toevallig niet de mensen zijn opgestapeld, maar nee. Iedereen zit en nog ruim ook. De reis verloopt rustig en na zes uur komen we in Udupi aan. Karnataka, here we come.

Op de laatste avond van dit tourtje kamperen we in de Karnatakaanse wildernis. Tentje, houtvuurtje aan. Onze zeer vriendelijke gids/chauffeur heeft enkele locals uit het naburige dorp geregeld. Zij zullen ter verhoging van de feestvreugde van de gasten uit Europa enkele eeuwenoude liederen ten gehore brengen. Liederen die ongetwijfeld gaan over de moedige en heldhaftige daden van hun voorouders, over verboden liefdes of over het afslaan van een aanval door tijgers. 

Het wordt een lange zit. Alle liederen gaan, althans voor onze oren, hetzelfde. Na twee uur houden ze het voor gezien en kunnen we naar onze tent. 

Opgelucht ga ik liggen. Mijn gedachten gaan naar de afgelopen dagen. Tempels hebben we gezien, optochten, feesten, monniken, bergen. We hebben olifanten gewassen in de rivier nabij een slaperig plattelandsdorpje, veel vogels gezien, apen. Ja, zelfs tijgers hebben we gezien. Moe maar voldaan bedenk ik me dat ik nu wil slapen. O ja, nog één ding. Morgen gaan we weer terug met de trein. Tevreden draai ik op mijn andere zij. WE KNOW WHAT TO DO! Drie tellen later ben ik weg.

EGYPTE   Sleepless in Cairo

Het loopt tegen twee uur ’s nachts als we Cairo binnenrijden. Cairo, de grootste metropool van de Arabische wereld en de op één na grootste stad van Afrika. Het is nog altijd warm. De stroom verkeer is onophoudelijk. Een perpetuum mobile. Ik ken de stad van eerdere bezoeken. De reden dat ik hier deze keer ben is niet omdat ik heel erg veel van de stad hou. De slogan ‘you love it or hate it’ lijkt bij mij vooral door te slaan naar het laatste. Nee, de reden voor mijn hernieuwde kennismaking met de stad van de duizend minaretten ligt naast mij: mijn dochter, en op de bank vóór mij, mijn zoon. Ik heb ze behoorlijk enthousiast gemaakt met mijn spannende verhalen over farao’s, geheimzinnige graftomben, tempels en piramides. Ze willen deze geheimzinnige mystieke wereld van hun vader nu zelf wel eens met eigen ogen zien.

Vooralsnog lijkt deze mierenhoop meer op ieder ander Afrikaans gekkenhuis dan op een sprookjeswereld van 1001-nacht. Ons hotelletje ligt in het centrum. Het is nauwelijks te herkennen als hotel. Je moet goed weten welke deur je moet hebben tussen alle deuren in dit stukje straat, die meestal naar winkeltjes leiden. Door een smalle gang komen we in een ruimte die doorgaat voor een receptie, een ontvangstruimte. Van ontvangst is nauwelijks enige sprake en met de in mijn hand gedrukte sleutel, bagage en twee slaperige kinderen sjok ik naar boven, naar de eerste etage. Kamer 101, meteen naast de trap. Het is drie uur en ik val om. De kinderen worden juist een beetje wakker. ‘Is het ver naar de piramiden Pap?’ (ja, 17 kilometer om precies te zijn). ‘Kunnen we er nu heen?’ (wat dacht je zelf?). “Mogen we buiten een beetje rondlopen?” (’s nachts om drie uur in een volkomen vreemde stad van 17 miljoen inwoners?). We liggen in bed en ik verheug me op mijn vier uurtjes slaap.

Even later geklop op de deur. Ik strompel naar de deur. Roomservice of zoiets. Meneer wijst mij uitgebreid de bar, de douche, de handdoeken, de lichtknoppen. ‘Yes yes, thank you’ stamel ik. Pas later begrijp ik mijn fout maar ik weiger die dan alsnog goed te maken. Ik had de man natuurlijk meteen een pond (de meeste Egyptenaren zeggen: ‘boun’) moeten toestoppen. Vijf minuten later. Dezelfde man. IJskast is hier en kijk eens wat er in zit (cola, bier). Kwartier later: dezelfde man. Ontbijt is morgenochtend vanaf zeven uur. Ja ja, zeg ik geïrriteerd en duw de man de deur weer uit. ‘In breakfast room’ hoor ik de man nog zeggen in het trappenhuis. Niet veel later: ‘Hier zijn de paspoorten terug’. En nu wil ik slapen meneer, de rest is voor morgen! Ja? Tegen mijn kinderen zeg ik: ‘Jullie doen voor niemand meer open, nu niet, nooit niet’. En ik ga voor de zoveelste keer liggen. Klop klop, op mijn arm dit keer. Dochterlief. ‘Er is hier een meneer pap’, en ik zie Dramkop op de achtergrond staan. ‘Waarom heb je open gedaan, je weet toch wat….’. ‘Maar hij bleef maar smeken, open please open’ is haar reactie. Eindelijk dommel ik weg. Dan begint na een kwartier de minaret te ‘zingen’ en 10 minuten daarna een hels kabaal onder me. ‘Kedeg kedeng kleng kleng boem’. Een hoop geschreeuw in het Arabisch er bij. De keuken maakt zich klaar voor het ontbijt. Wij hebben de kamer boven de keuken. Is dit de vloek van de farao?

Om acht uur staan we na nog geen uurtje slaap op het Tahrirplein. Een enorm plein, dat in die dagen nog niet de beladen naam had die het nu heeft. Toen was er nog een redelijke zekerheid dat je op dit plein begeven overleefd kon worden. Niets deed mij vermoeden dat ik hier op de plek stond die geschiedenis zou schrijven. Een geschiedenis van opstand, volkswoede, protest, bloed en barbarisme. Van vele doden die nog geen tien jaar later zouden vallen op dit plein, in deze waanzinnige stad, in dit onderdrukte land. 

De geschiedenis op dat moment concentreert zich in het Egyptisch museum aan de rand van het immense plein. Het museum is al net zo enorm als het plein. Wij verwonderen ons over de kunstschatten, vooral over de schatten van Toetanchamon en de mummies. Vreemd om in de holle ogen en de gapende gebitloze mond van een vierduizend jaar oud lijk te kijken. De kinderen vinden het prachtig, evenals de Mc. Donalds even later aan de overkant van het plein. We lopen als zombies over de Qasr al Nilbrug, die van het centrum over de Nijl naar het eiland Gezira, midden in de Nijl, loopt. Wij lopen voorzichtig over de smalle stoep in de enorme hitte (want hier is geen schaduw) naar de overkant. Hier zo te lopen over de Nijl, die al veertig eeuwen lang voor het leven hier zorgt, die zoveel geschiedenis heeft meegemaakt, is een overweldigende ervaring, ondanks het slaaptekort en het voorbijrazende verkeer.

Aan de overkant lopen we door een parkachtige wijk naar de Cairo Tower en gaan naar boven. Iets drinken en genieten op 187 meter hoogte van deze eindeloos lijkende stad, gehuld in wolken verkeersgassen en woestijnzand. Met de metro terug, en daarna nog even ergens pinnen. Na lang zoeken vind ik een bank en dan blijkt dat de bank gesloten is. (Pinapparaten aan de muur buiten waren er in die dagen, althans in Egypte, niet). Dat bevalt mij maar heel matig. Moe, warm, en dan ook nog eens geen geld. Ik zeg tegen een voorbijganger: “Bank closed? Why bank closed?”. Hij kijkt me wat meewarig aan. Die domme buitenlanders. Iedereen weet toch dat de banken in dit deel van Cairo op dinsdagmiddag dicht zijn?

We sjokken nog wat door de hete en stinkende stad, we eten nog iets en daan mogen we bijkomen (lees: heel lang slapen) in ons hotel. De volgende dag staan de piramiden van Gizeh op het programma en ik weet dat dit een hoop gedram en getrek betekent (mister, mister, take my camel, please, no take mine, no mine…) naast de ongelofelijke hitte en de zwetende mensenmassa. Ik wil dus uitermate fit zijn. We gaan op tijd slapen en hopen op een goede nachtrust, van tenminste een paar uur. Er wordt nog een hoop geklopt en gebonkt die nacht. Om vier uur begint Allahoe akbar in quadrafonie. Getoeter, gedender in de keuken. Vijf uur: een nieuwe dag. Onze derde dag Egypte. De derde pas? 

Dat wordt nog wat.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.